Dirck Francken .
Zoon van ? .


Kinderen:
  1. Jan Dirck Francken (Jan Dirck Vranckensen) , † >1620 .

    x ±1585   Lijsgen .

    x >1595   Marichien .

    10 kinderen


  2. ? Pieter Dirck Francken , † <1615 .

    x   Adriaenken Theunisdr , † >10-1614.

      Noordeloos, 11-11-1614:
      Ondervraging namens Adriaenken Theunisd weduwe van Pieter Dirck Francken v/d getuigen:
      Jan Adriaensen, oud 39 jaar, Pieter Janssen, oud 27jaar en Marijken Florisd, oud 70 jaar.
      1. of het waar is, dat zij gezien en gehoord hebbendat Adriaenken Theunisd omtrent zaterdag voor de Meerkerkse kermis j.l. woorden heeft gehad met haar buurman Jan Phlipsen, omdat deze ‘een hordt ofte twee van des Ariaenken Theunisdr’s hoffstede tegens haeren danck genomen hadde en off Jan Phlipsen doen ter tijt vande voorschrevene Ariaenken Theunisd onder andere woorden een hoer maeckte ofte hiette en off hij haer slouch in haer selffs huijs’.
      Jan Adriaensen verklaart verklaart niets gezien te hebben omdat hij in het kennip van Jan Phlipsen stond, maar dat hij het gerucht wel gehoord heeft. Marijke Florisd verklaart dat zij niets gezien heeft, omdat zij te laat kwam. De vrouw van Jan Phlipsen zei toen tegen haar ‘wat rediment hebben wij hier, hadde ick het geweten, dat Jan Phlipsen daer in huijs geloopen hadde, ick soude mijn kind wel int gras geleijt hebben en ick sou hem gestuijt hebben’ en
      Pieter Janssen, knecht van Jan Phlipsen, zei tot Marijke Florisd ‘Maeij Floren gaet vrij deur
      want ghij sult vant selff van Jan Phlipsen hebben’.
      2. of het waar is, dat Adriaenke Theunisd toen naarMeerkerk ging om over Jan Phlipsen te
      klagen en of toen Jan Phlipsen zijn kade uitliep naar Adriaenken Theunisdr om haar te onderscheppen en om te verhinderen dat zij naar Meerkerk zou gaan, zeggende ‘wil die hoer over mij clagen, ick salse die been in stucken slaen’. Jan Adriaensen verklaart hetzelfde als in de tekst en te weten ‘dat Adriaenken Theunis seer deerlijck was gestelt, datse peers en blau om haer ooghen en hooft was’. Pieter Janssen verklaart, dat hij toen knecht van Jan Phlipsen was en dat deze bij hem kwam en zei ‘ick heb die hoer daer soo geslagen, dat het haer wel heughen sal’ en dat deposant toen zei ‘Jan, ghij hebter schant off, dat het een man ofte knecht waere, soo liet ick het toestaen’ en dat Jan Phlipsen doen tegens hem zei ‘ick sal die hoer wel beter hebben’ en dat Adriaenken Theunisd doen kwam en zei tegen Jan Phlipsen ‘ steeckende haer hant vuijt vogel, ick sal u een paeijgien gaenbeslaen, ick sal u gaen beclaghen’ en dat Jan Phlipsen toen zei ‘ick sal die hoer noch bet hebben’ en dat hij toen de kade uitliep om haar te verhinderen naar Meeerkerk te gaen en dat hij door’ te mets van twee luijden gestuijt worden, dat sij soo deur quam’.
      3. of het waar is, dat Jan Phlipsen bij zijn knechtde voorn Pieter Janssen kwam klagen en zei ‘ick heb die hoere daer soo geslagen, dat sijt wel heughen sal en ick salse noch wel beter hebben, ick heb de bruij van de drost van Noordeloos, de schout van Meerkerk en alleghaer’.
      Pieter Janssen verklaart, dat dat Dirck, zijnde de zoon van voorn. Adriaenken Theunisd, met
      Jan Phlipsen ‘keeff’ en zei ‘coemt op Noordeloos, daer en dorff dij niet comen, ghij moetter bij nacht deur trecken’ en dat Jan Phlipsen toen ze ‘ick hebbe de bruij van de drost van Noordeloos, van de schout van Meerkerk en allegaer’.
      4. of de getuigen nog meer kunnen verklaren. Jan Adriaensen verklaart, dat hij ene Jacob Goverden die in de kennip van Jan Phlipsen stond te plukken, heeft horen zeggen, dat Jan Phlipsen tegen hem gezegd had, dat hij het ontkennen wilde van waarover Adriaenken geklaagd had.


Samengesteld door Joan Bos.
Voor meer informatie zie de introduktie of de FAQ.